GANZEN, gevleugelde waakhonden (#080)

Ganzen beschikken over scherpe zintuigen waardoor ze uitermate geschikt zijn als bewakers. Als ze gevaar voelen laten ze een enigszins blaffend geluid horen en ze kunnen net zo fel tekeergaan tegen indringers als honden. Vandaar dat ze in de oudheid fungeerden als bewakers van heiligdommen. In latere tijden werden ganzen nog vaak door boeren gebruikt als waakvogels bij de bescherming van hun have en goed. Hoe dat zo gekomen is leest u in dit nieuwe sprookje.

De familie van de jonge Anser werd aangevallen door een paar hongerige beren die als gevolg van de langdurige sneeuwval ver buiten hun territorium op zoek waren naar prooi. Wanhopig probeerden de volwassenen zichzelf en hun kinderen te redden, maar ze stonden machteloos tegenover de brute kracht van de uitgehongerde beren. Als aan de grond genageld zag Anser vanuit haar schuilhoek hoe haar familieleden werden vermorzeld onder de meedogenloze klauwen van de roofdieren.  Het was een afschuwelijke slachtpartij.

Nadat de beren weer in de bossen waren verdwenen, bekommerde Anser zich om de gewonden. Ze verzorgde hun wonden, gaf ze ontdooid ijs te drinken, maar in de bevroren en besneeuwde aarde kon ze geen voedsel vinden waarmee de gewonden weer op krachten zouden kunnen komen. Met als gevolg dat ze uiteindelijk allemaal stierven.

Eenzaam zwierf de 12-jarige Anser door de zompige velden tussen Rijn en Maas in de hoop een rondtrekkende familie tegen te komen die haar wilde opnemen. Maar niemand die een extra mond wilde voeden. Ze trok door moerassen, bossen en vlakten waar in barre tijden de zee binnendrong en zwom over rivieren die in de lente buiten hun oevers traden. Ze leefde van de eieren, bessen, noten en zaden die ze onderweg vond, en als ze niets eetbaars kon vinden at ze gras. Met de beelden van de bloeddorstige beren nog op haar netvlies, was ze uiterst waakzaam voor mogelijk gevaar. Ze merkte dat ze beesten kon afschrikken door hard enigszins blaffende geluiden te maken of dreigend met beide armen te maaien. 

Toen ze op een dag hongerend door de uitgestrekte broekbossen dwaalde, ontdekte ze dat de familie die haar de dag ervoor had weggejaagd dagelijks eten voor de goden neerlegde. Wekenlang volgde ze stiekem de groep om als het donker was hun offerandes op te eten. De honger overwon haar angst, want ze wist dat ze de goden ontstemde en dat het daardoor slecht met haar zou aflopen. Iedere keer beloofde ze: “Lieve goden, ik zal alles goedmaken en alles teruggeven zodra een familie me opneemt. Ik moet wel stelen, anders ga ik dood.”

Op een dag ontmoette ze een jongeman die ook alleen rondzwierf. Samen trokken ze verder. Ze voelden zich veilig bij elkaar en geleidelijk veranderde hun vriendschap in liefde. De jongen bleek een behendig jager te zijn die nooit zonder buit van de jacht terugkeerde. Trouw liet Anser bij elke heilige plek die ze passeerden kleine geschenken voor de goden achter als dank dat ze het had overleefd en voor het feit dat haar metgezel zo goed voor haar was.

Enige jaren later zocht Anser tijdens een hevig noodweer met man en kinderen beschutting in de bossen van de delta van de Maas. Het donderde angstaanjagend en de bliksem verwoestte hun onderkomen. De overvolle rivieren overstroomden het land. De volle maan trok het zeewater hoger dan ooit tevoren en zware stormen stuwden razend en tierend het water het land op. Water was nooit haar vijand geweest, maar Anser voelde dat deze zondvloed hen allemaal ging verzwelgen. Dit was de straf van de goden voor het voedsel dat ze in het verleden van hen had gestolen. Wanhopig brulde ze in de storm: “God van de hemel en het onweer, als we overleven zal ik er voor zorgen dat niemand ooit nog een heilige plek zal bestelen!”

Verhoorde de god haar smeekbede? Juist op het moment dat de golven haar gezin wilde verzwelgen, veranderden ze in stevige, grijsbruine vogels, die net op tijd konden opvliegen. Anser vloog voorop, weg van het noodweer. Dagenlang trokken ze zuidwaarts tot ze in de verte op de top van een heuvel een tempel zagen schitteren in de zon. Daar streken ze neer – om er nooit meer weg te gaan. Omdat Anser, gedreven door haar eigen ervaringen, iedere gans die rondzwierf en veiligheid zocht, opnam in haar familie, was de groep bewakers van de tempel op de heuvel al snel zo groot, dat ze konden uitvliegen naar heiligdommen van andere goden om ook die te bewaken tegen bezoekers met slechte bedoelingen.

Ganzen lijken in veel opzichten op mensen: ze leven in grote groepen, zijn heel slim, waakzaam, zorgen voor elkaar, zijn monogaam, maken samen plezier en de kinderen groeien op in crèches – al zijn enkele van deze kenmerken bij de mensen aan erosie onderhevig…

 

Tot enkele jaren geleden overwinterden de ganzen massaal in Nederland en België, om in het voorjaar enkele duizenden kilometers noordwaarts te trekken en in Scandinavië en Noord-Rusland te broeden. Door veredeling en kunstmest is het kortgemaaide gras in onze weiden net zo eiwitrijk als het jonge gras op de toendra’s in het hoge noorden dat de jonge ganzen in het voorjaar nodig hebben. Steeds meer ganzen trekken daarom niet meer weg in de lente, vooral de grauwe ganzen blijven massaal. Ga eens in de winter naar de Waddenzee of de delta van de Schelde en geniet bij zonsopgang van het gezoef van honderden ganzenvleugels die naar de weilanden trekken om te foerageren , om bij de schemering weer massaal terug te vliegen naar hun veilige slaapplaatsen op open water.

 

 

 meer over ganzen? Zie ook de column van maart 2016