Waarom plevieren zo klagend roepen (025)

Also available in: nlNederlands

In de herfst en de winter buitelen boven het open land grote groepen kievieten in de lucht. Als u goed kijkt ziet u dat tussen deze vrolijk duikelende, zwart witte vogels ook veel slankere, lichtgekleurde vogels meevliegen. Dat zijn de goudplevieren uit het hoge noorden. Plevier is afgeleid van het Latijnse woord ‘pluvia’ wat regen betekent. Waarom deze vogels naar de regen genoemd zijn, leest u in het volgende verhaal.

De aarde is volgens de overlevering, met al zijn bewoners in één week gemaakt. De Schepper kon hierna uitrusten van al dat harde werken, maar het werk voor de nieuwe bewoners van de aarde begon toen pas. Zij moesten veel afmaken. Zo zocht de zee naar de juiste timing tussen eb en vloed. De seizoenen zochten naar hun eigen karakteristieke kenmerken en overlegden over hun onderlinge afstemming. In het begin sneeuwde het soms in de zomer en dat kon natuurlijk niet. De allereerste grassen  moesten de muizen zelf inzaaien, zodat zij in de winter eten konden vinden in de bevroren velden.

God hielp een ieder die dat wilde en gaf aanwijzingen vanuit zijn luie stoel.
De vogels kregen de belangrijke taak de afvloeiing van het regenwater te verzorgen. De velden moesten steeds in goede conditie blijven voor de belangrijke taak van de planten en bomen:  zaden en bessen maken voor het voedsel van vele dieren. Geulen en greppels moesten gegraven worden om het overtollige water via de rivieren naar zee te laten stromen. Alle vogels deden enthousiast mee aan deze voorname taak.

Alleen de plevieren hadden hier geen oor naar. Zij vonden dat ze hun tere snavels niet konden blootstellen aan de stenen. De bontbekplevier hielp wel een beetje mee en wikte stenen los uit de aarde. Zijn voorname familielid, de goudplevier weigerde echter alle werk, hij vond zich met zijn gouden mantel te goed voor het vuile werk. Terwijl alle vogels geduldig groeven, vlogen de goudplevieren in grote groepen fluitend door het luchtruim.
De andere vogels waren ontstemd over hun gedrag en vroegen de hemel om deze flierefluitende leeglopers te bestraffen voor hun egoïsme. Als straf veranderde hun vrolijke gefluit in een klagend gepiep. Zo is het gekomen dat de goudplevieren alleen klagelijk kunnen roepen om regen. Hoort u de plevieren roepen, dan weet u dat de regen weldra zal vallen. Daarom  zijn ze ‘plevier’ genoemd, afgeleid van het Latijnse woord ‘pluvia’, wat regen betekent.

Goudplevieren zien we in Nederland en België alleen in de winter, vooral in de deltagebieden, langs rivieren en in weilanden. Een deel overwintert hier en vliegt met de kievieten zuidwaarts als het vriest. Een deel is op doortocht naar in mildere overwinteringgebieden. Vaak leven ze in grote groepen samen met kievieten. Met een korte stevige snavel halen ze insecten, schelpdieren, duizendpoten en wormen uit de bodem. In de winter hebben ze een vrij onopvallend licht verenpak. Ze broeden in het hoge noorden, de mannetjes vallen in hun broedkleed op: gouden mantel, witte zoom en zwarte borst en gezicht. Ze zijn iets kleiner dan de Zilverplevieren die we niet zien in weilanden en in gezelschap van kievieten, maar wel in groepen in het zoute en brakke water langs de zeestrook.

 

© Els Baars, Natuurverhalen.nl