Waarom de LEEUWERIK zo hoog vliegt (#056)

Engelen en heiligen spelen een hoofdrol in de hemel. In lang vervlogen tijden bekleedde de leeuwerik eveneens een belangrijke functiedaar, maar dat is misgegaan. Sindsdien vliegt hij zingend vrijwel recht omhoog tot hij niet meer te zien is. Hij lijkt naar de hemel te vliegen. En dat is ook zo. Luister naar deze oude legende: 

Als zielen na het aardse bestaan opstijgen naar het hiernamaals, kloppen ze zonder uitzondering hoopvol aan bij de grote gouden hemelpoort. Voor die gouden deur is het een drukte van belang, alle doden proberen op eerlijke dan wel slinkse wijze binnen te komen. Lang niet iedereen mag naar binnen, alleen de mensen die een rechtvaardig leven hebben geleid worden deelgenoot van het hemelse paradijs. De hemelpoortbewaker moet dus sterk in zijn schoenen.
Tot het begin van onze jaartelling was de leeuwerik de bewaker: een energieke en rusteloze vogel die uitbundig zingend zijn werk deed. Hij moest voorkomen dat menige slechte ziel op sluwe wijze wist binnen te. Door de stress die dat veroorzaakte, begon de vogel steeds meer te vloeken.

Toen Jezus in het jaar 33 naar de hemel opsteeg en de eindeloze stroom hoopvolle en angstige zielen passeerde, hoorde Hij bij de poort de leeuwerik vloeken. Dat was voor Hem onaanvaardbaar en Hij deed zijn beklag bij Zijn Vader, die de leeuwerik direct uit zijn functie onthief en hem terugstuurde naar de aarde.
De leeuwerik was boos en ontdaan over zijn ontslag en de gedwongen terugkeer naar het zware aardse bestaan. Daarom probeert hij nog steeds terug te keren naar de hemel, maar zijn opvolger, Petrus, is streng en stuurt hem steeds terug. Daarom ziet u tot de dag van vandaag de leeuwerik hoopvol jubelend in een vrijwel rechte lijn naar de hemel vliegen. Maar als hij boven is, duwt Petrus hem onverbiddelijk naar beneden en dwarrelt hij al vloekend naar de aarde terug.

De leeuwerik komt in heel Europa voor. In Nederland en België vooral de veldleeuwerik en in veel mindere mate de boom- en de kuifleeuwerik. De veldleeuwerik leeft in rustige open gebieden als weides, bouwland, heide en de duinen. In de jaren zeventig van de vorige eeuw was zijn jubelende gezang overal op het platteland te horen en was hij na de huismus en merel de meest voorkomende broedvogel. Hun aantal is nu met 90% gedaald naar zo’n 100.000 stuks en neemt nog steeds af door intensivering van de landbouw en verandering van het landschap.