Slimme rupsen en vlinders van de nacht (#109)

Een verhaaltje speciaal voor de allerkleinsten:

 

Vlinders zijn heel bijzondere dieren. Ze beginnen als eitje, daar kruipt een rups uit en die eet zich dik aan groene blaadjes. Daarna weeft de rups een doosje voor zichzelf, een cocon, waar hij ongeveer tien dagen in slaapt. Daar gebeurt iets heel bijzonders, in die cocon verandert de rups in een vlinder. Hij kruipt uit die cocon en vliegt weg.

 

Weet je dat er scholen voor rupsen bestaan? Nee? Niet zo gek hoor, want dat weet bijna niemand. Let in de zomer maar eens goed op bij bomen en struiken. Soms zie je een groepje rupsen op één blad, of soms allemaal bij elkaar hangend in een zakje spinnenwebben. De meeste mensen weten het niet, maar dat zijn schoolklassen van vlinderkinderen. Daar wordt de rupsenkinderen geleerd hoe ze echte vlinders moeten worden: eerst rups, daarna verpoppen in een cocon en dan vlinder.

 

In een schoolklasje met rupsen die bijna vlinder worden, zitten een paar gemene rupsen die steeds drie verlegen en bange rupsjes pesten. Op een dag is het bar en boos. Een rups wordt in zijn pootje gebeten, bij de andere trekken ze haren van zijn rug en bij de derde breken ze haar voelhoorn af. Daarna gooien ze die arme rupsen naar beneden en lachen ze uit.

Wat liggen de drie verdrietig op de grond. Ze hebben niet alleen pijn, ze voelen ze zich ook dom en lelijk. En ze zijn heel boos!

Wat moeten ze nu doen?

Ze willen niet nog eens zo gepest worden en ze willen nooit meer naar de school. Ze besluiten weg te lopen, ver weg van de andere rupsen en vlinders.

Moe verstoppen ze zich die avond onder dode bladeren. De rups met het zere pootje zegt: “We gaan weglopen heel ver weg. We laten ons niet meer pesten, we gaan het anders doen. Niet omdat we zwak en verlegen zijn, maar omdat we lief en slim zijn. Samen zijn we sterk!”

Maar hoe gaan ze dat doen?

Ze schuifelen op hun vele pootjes over de hobbelige bosgrond. Dat valt niet mee. Het gaat niet alleen langzaam, hun pootjes doen pijn omdat die niet gemaakt om veel te lopen.

Na twee dagen vallen ze in een holle boom in slaap, maar na een paar uur worden ze wakker.

Wat is dat?

Ze horen een bosuil roepen, muggen zoemen, een vos snuffelen, kikkers kwaken, ze zien een vleermuis vliegen en een spin langslopen. Wat leven er veel beesten ’s nachts!

Dat brengt ze op een idee. Ze kijken elkaar aan en een van hen roept blij: “Wij gaan niet verder weglopen, we gaan ‘s nachts leven! Dan kunnen we niet meer gepest worden door de andere rupsen en vlinders!”

Maar de rups met de gebroken voelhoorn zegt zachtjes: “Ja, maar ’s nachts kunnen we als vlinders de bloemen niet zien en kunnen we geen honing vinden.”

“Dat gaan we onderzoeken als we vlinder zijn”, zegt de dikke rups, want hij voelt dat het tijd is om een cocon te weven waarna hij snel een echte vlinder zal zijn.

 

Na tien dagen kruipen ze alle drie uit hun cocon en zijn ze vlinders. Ze gaan echt proberen om ‘s nachts te leven. Maar dat is moeilijk: in de nacht is het donker en dan zie je de lekkere bloemen niet.

Wat nu?

Er vliegt een mug langs die de drie jonge vlinders zoemend besnuffelt. Een van hen vraagt: “Mug, hoe kan jij s nachts eten vinden?”

“Zmm, ik ruik het, zmmm”, zoemt de mug.

Dat vinden ze een goed idee: ruiken! De kleine vlinders doen zo hun best met ruiken dat de voelsprieten op hun kop na een paar dagen oefenen dikker en dikker worden en tenslotte openbarsten. Dat geeft eerst een beetje pijn, maar ook een verrassing: ze kunnen met die open sprieten veel beter ruiken.  Na een paar dagen zien de open voelsprieten eruit als veertjes, heel handig. Ze ruiken de honing van de nachtbloemen, van de geurende kamperfoelie die langs bomen omhoog groeit, van de lichtgevende gele teunisbloem en van de witte avondkoekoeksbloem.

Ze ontdekken ook dat er in de nacht geen lastige rupsen en vlinders zijn. Ze ontdekken meer verrassingen: ze horen de stilte van de nacht, ze zien dat de sterren en de maan licht geven en ze leren dat er veel dieren ’s nachts leven.

 

Zo zijn de eerste dagvlinders ’s nachts gaan leven en zijn ze nachtvlinders geworden.