de MEEUW, brutaal, slim en luidruchtig (#100)

Brutaal, slim en luidruchtig

Liggend tegen de duinen bij de zee geniet ik vaak van de witte meeuwen, afgetekend tegen de blauwe lucht, die zich rustig laten meevoeren op de thermiek. Ik fantaseer dan over de oorsprong van hun gedrag. Het resultaat leest u hier, in het 100ste sprookje.

Aan het einde van de laatste IJstijd leefden wijd verspreid, groepjes mensen in kleine nederzettingen op de eindeloze toendra’s en in de uitgestrekte wouden.

De grote sterke Larus, gekleed in de vacht van een witte sneeuwpanter, was zowel een moedig als brutaal man. Hij werd geprezen en gevreesd.
Hoe jong ook, hij was de beste jager. Onverschrokken redde hij menigmaal met gevaar voor eigen leven, zijn maten die tijdens de jacht in het nauw raakten.
Als hem iets niet beviel, krijste hij met luide stem zo hard dat de vogels verschrikt opvlogen. Maar de witte man met zijn grote neus maakte zich onmogelijk, hij vocht met iedereen die hem niet aanstond en, erger, hij stal het eten van zijn dorpsbewoners.

Wil je in een nederzetting in de wildernis overleven, dan moet er geluisterd worden naar de leider. De dorpsoudste kon na eerdere vermaningen en straffen, niet anders dan Larus voor zijn onbehouwen agressieve gedrag de zwaarste straf opleggen: verstoting. Hij kreeg één dag om zich voor te bereiden op zijn vertrek.

Die laatste dag verdween een meisje en iedereen ging zoeken. Larus vond het verschrikte kind al snel in een boom met onder zich een troep wolven en bracht haar veilig terug. Een eenmaal uitgesproken vonnis kan niet herzien worden, Larus werd verbannen.
Die laatste nacht kreeg hij bezoek van de vader van het kind die hem een cadeau gaf: ‘Ik ben dankbaar dat je mijn kind hebt gered. Als je in nood verkeert, Larus, zal deze kristal je redden. Mijn vader heeft hem gekregen van zijn vader. Wees er zuinig op, je kunt hem maar een keer gebruiken.’

Slechts de allersterksten kunnen in de wildernis overleven. Larus was een van hen en ontmoette tijdens zijn rondzwervingen andere overlevers Samen trokken zij verder en gaandeweg ontstond er een groep rondtrekkende ruige bannelingen die de gehuchten die ze passeerden beroofden.
De wildemannen waren berucht en gevreesd. 

Door de nood geboren kwamen de dorpsoudsten uit de wijde omgeving voor het eerst in de geschiedenis bijeen en ze besloten tot een tegenaanval om de overvallen te stoppen. Gezamenlijk achtervolgden de dapperste krijgers uit ieder dorp de wildemannen en ze doodden de meesten.
Opgejaagd vluchtten de overgebleven wildemannen zich ver weg in de zanderige heuvels bij de zee. Vanzelfsprekend werd de onverschrokken Larus, de leider, en omdat hij zo groot was noemden ze hem de Grote Burgemeester.

De bannelingen bleven jagers die niets en niemand ontziend, de wijde omgeving van de delta afstroopten op zoek naar eten.

Veranderingen vinden altijd sprongsgewijs en onverwachts plaats.

De koude van de laatste ijstijd maakte al langere tijd plaats voor een milder klimaat, het ijs smolt, waardoor de rivieren steeds vaker buiten hun oevers traden en de zeespiegel steeg. Op een nacht drong de zee tijdens springtij met zware stormen en meterhoge golven diep het land binnen. De wildemannen zaten op het topje van hun hoge duin te midden van de kolkende zee in de val. Toen de zee hun eilandje dreigde te overspoelen, dacht Larus aan het kristal dat hij ooit had gekregen van de dankbare vader uit zijn dorp. Met het kleinood in zijn hand schreeuwde hij boven de bulderende zee uit: ‘Help ons!’ Direct veranderden de drenkelingen in vogels die uit het water opvlogen.

Wederom overleefden ze,  nu als witte vogels. Nog immer grote, brutale, krijsende en ruziemakende alleseters op zoek naar eten: niet alleen vis, maar ook de eieren en de jongen van anderen en soms zelfs van hun soortgenoten.

Tot de dag van vandaag zijn het bijzondere, slimme en luidruchtige witgrijze vogels, die zich laten meevoeren op de thermiek en die de hoge golven, de stormen, de regen en de kou doorstaan: de Stormvogels, de Zilvermeeuwen, de Mantelmeeuwen, de Kokmeeuwen, de Jagers en de Burgemeesters.

 

De witte grote burgemeester (Larus hyperboreus) is een zeer grote meeuw die vooral in het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan leeft. Op de Noordzee komt hij af en toe. De kleine burgemeester (Larus glaucoides) is ook een dwaalgast langs de Noordzeekust en is kleiner dan zijn grote broer. Het zijn wittige meeuwen, de enige die geen zwart in het verenpak hebben.

De bruine grote, middelste en kleine jager (Stercorarius skua, Stercorarius pomarinus en Stercorarius parasisticus) is de meest agressieve roofmeeuw, die bij voorkeur het eten dat andere vogels hebben gevangen in spectaculaire achtervolgingsvluchten afpakt, maar ook jongen van andere vogels rooft. Ze komen voor  langs de kusten van de Noordzee tijdens de trek en je kunt ze vooral zien na een storm.

De kleine mantelmeeuw (Larus fuscus), die zijn naam dankt aan de leigrijze bovenkant van de vleugels, zien we veelvuldig aan de kust en ook in het land. Ze broeden op de grond, maar door de opmars van de vossen die de eieren roven, nestelen ze, net als de zilvermeeuw, vaak op platte daken in de kuststeden, waar ze in het afval naar eten zoeken. Het zijn alleseters, die vis, aas, afval en jonge vogels eten.

De grote mantelmeeuw (Larus maninus), net iets groter dan de grote burgemeester, is de grootste meeuw ter wereld. Hij leeft op zee in het noordelijker deel van de Atlantische Oceaan, maar is aan de Noordzeekust met enige regelmaat te spotten. Net als de kleine mantelmeeuw, heeft een volwassen vogel een, donkergrijze ‘mantel’ en gele poten.

De witgrijze zilvermeeuw (Larus argentatus)met zijn roze poten was de meest voorkomende meeuw in Nederland, maar wordt in aantal verdrongen door de kleine mantelmeeuw. De vos is de grote boosdoener, waardoor ze net als de kleine mantelmeeuw, ook in de steden op de daken broeden en voor de stadsbewoners met hun lawaai en het openbreken van vuilniszakken, tot last zijn. Het zijn alleseters en zijn in het binnenland vaak trappelend op het gras te zien om regenwormen te verschalken.

De veel kleinere kokmeeuw heeft een opvallend rode snavel en rode poten met in de zomer een zwarte kop en in de winter slechts een ‘koptelefoontje’, We zien ze veel langs de kust maar ook in het binnenland. Je kunt hem vaak zien bij eendjes voeren, met veel gekrijs pikken ze het brood van de eenden in.

Tenslotte de witgrijze stormmeeuw, met de groengele poten komt hij veel voor en wordt makkelijk verward met de zilvermeeuw. De stormmeeuw is wat compacter en heeft een rondere kop met zwarte kraaloogjes.