De MAAGDENPALM, IK OVERWIN (#102)

Op een dag plantte een jongen met zijn moeder Maagdenpalm op het verse graf van zijn grote zus. “Moeder, waarom heb je deze plantjes uitgekozen?” vroeg hij. “Dat is een heel oud verhaal, zoon, laten we gaan zitten, dan zal ik het vertellen.” En terwijl de treurwilg ruiste in de wind, begon de moeder:

“Lang geleden leefde er eens een bijzondere jonge vrouw. Haar ouders hadden hoge verwachtingen van hun dochter en gaven haar bij geboorte de naam Vinca, wat ‘ik overwin’ betekent. Ze was een opvallende verschijning. De meeste vrouwen droegen in die tijd een grove geweven bruine cape, maar Vinca onderscheidde zich door over haar immer groene jurk een lila mantel te dragen, die ze met eindeloos geduld had geweven tot een zachte stof. Deze bijzondere cape weerspiegelde haar buitengewone binnenkant. Anders dan haar leeftijdgenoten praatte ze niet de hele dag over mannen en trouwen, maar verwonderde ze  zich over de planten en de dieren en dacht na over waarom zij en de planten en dieren leefden.

Als klein kind al verbleef ze het liefst in het woud buiten het dorp, waar ze alle eigenschappen van ieder plantje leerde kennen. Ze leerde de taal van de natuur.
Ze was een eenling, anders dan haar dorpgenoten, en in die tijd bleek dat levensgevaarlijk.

Tijdens het grote lentefeest ontmoette ze een reiziger, een bijzondere man. Voor het eerst in haar leven voelde ze zich wezenlijk gezien, hij zag het leven zoals zij. Die nacht brachten ze samen in het bos door, waarna hij de volgende dag zijn reis voortzette.

Toen de dorpelingen na enige maanden haar buik zagen zwellen met de vrucht van deze ontmoeting werd ze beschimpt, een alleenstaande zwangere vrouw was onaanvaardbaar. Een jonge man die al eerder tevergeefs om haar hand had gedongen, dacht dat ze als alleenstaande moeder wat blij zou zijn met zijn aanzoek. Vinca wilde echter haar eigen weg volgen en weigerde, waarna ze uit het dorp werd verdreven.

In die tijd was een verbannen vrouw vogelvrij.
Daarom verstopte zich voor Iedere man die  haar trektocht kruiste. Ook vrouwen kon ze niet vertrouwen, iedere vrouw zag  haar als een bedreiging en joeg haar met honden en stenen weg. In kloosters was ze wel welkom, kon ze tot rust komen en kreeg ze te eten. Ze mocht er zelfs blijven, maar dan moest ze haar zoontje afstaan, de vrucht van twee bijzondere mensen, een kind waarvan ze wist dat het een bijzondere rol in de wereld zou gaan vervullen.

En zo trok ze verder, nergens was er een plek voor een moeder die zich niet wilde en kon aanpassen. Vinca was altijd op de vlucht.

De tocht met haar zoontje was vol gevaren door de onverwachte ontmoetingen met de bewoners die haar doodsangsten bezorgden. In de natuur voelde ze zich geborgen en daarom beperkte ze haar route tot landweggetjes met de vele verstopplekken. Vinca wist dat ze kon vertrouwen op de hulp van de dieren, de bomen en de planten. Als kind had ze de taal van de planten en dieren leren kennen en zij hielpen haar nu onbaatzuchtig. De vogels waarschuwden haar als er gevaar dreigde, de moeflons wezen haar hun vluchtpaadjes, de treurwilg boog altijd op het juiste moment haar takken waaronder moeder en kind onzichtbaar waren voor de langslopende boeren. De jeneverbes bood hen vele schuilplaatsen binnen zijn eeuwenoude taaie en kromgetrokken takken, waarbinnen ze soms dagenlang leefden. Zelfs de oude verweerde wilgen boden hun donkere holtes aan. Na iedere redding vertelde ze haar zoon het verhaal van de plant die hen bescherming bood en over het leven van de dieren die hen behoedden.

Na een aantal jaren zwerven werd ze op een moment van onoplettendheid gegrepen en vermoord. Haar zoontje werd meegenomen. Onbekenden bekommerden zich later over haar zielloze lichaam en groeven een graf, waarover ze haar lila mantel spreidden. Na verloop van tijd groeide uit de cape een laag groeiend plantje, een altijd groenblijvende bodembedekker. Ieder voorjaar bloeiden tere lila bloemen.

Haar zoontje voelde zich niet huis in een harde wereld van zijn nieuwe dorp. Het reizigersbloed zat hem in de aderen en al jong verliet hij huis en haard. Zijn kostje verdiende hij als rondtrekkende verhalenverteller. Hij vertelde in de dorpen alles wat hij op zijn reizen meemaakte, maar het liefst vertelde hij de verhalen die zijn moeder hem als kind zo vaak vertelde, over de wondere wereld van de treurwilg, de jeneverbes, de wilg, over de scherpe ogen van de torenvalk en over het geratel van het roodborstje bij onraad.

Op een dag kwam er een oude man naar hem toe, die hem naar het graf bracht dat hij lang geleden voor een vermoorde jonge vrouw met een lila mantel had gegraven. Ontroerd zag de zoon de dondergroene kleur van de jurk van zijn moeder weerspiegeld in de immer groene blaadjes en in de tere lila bloemen de kleur van de lila mantel van zijn moeder, waarin hij zich zo vaak had verstopt.

Regelmatig keerde de zoon terug naar het graf van zijn bijzondere moeder en nam dan wat stekjes en zaadjes mee van de het plantje, de Maagdenpalm, die hij aan treurende nabestaanden van pas overledenen gaf om op het verse graf te planten.

Zo leefde Vinca voort in het leven van haar zoon en in de bloemen die in grote delen van de wereld in het voorjaar bloeien.

 

De maagdenpalm (Vinca minor/major) wordt palm genoemd omdat de altijd groene blaadjes aan de altijd groene palm uit warme sterken doet denken. Deze altijd groene bladeren vertegenwoordigen de onsterfelijkheid, het eeuwige leven, de overwinning op de dood. Daarom zien we de Maagdenpalm, maar ook de groenblijvende Levensboom op alle begraafplaatsen. De maagdenpalm staat voor eeuwigheid, trouw en standvastigheid.  

Er zijn twee soorten Maagdenpalm. De wilde soort, de minor, die als noordelijke grens Belgie en Limburg heeft, en de cultivar die in tuincentra te koop zijn, de Vinca major.