De verdwenen spreeuwenzwerm

                           

Ik zag ze toen ik op een dag vroeger van mijn werk naar huis fietste. Ik hoorde ze suizen, flapperen, duikelen, dwarrelen en babbelen en vergaapte me aan het bijzondere schouwspel. Enkele duizenden vlogen er in de avondschemering boven het dorp. Dan weer zwierden ze als een zwerm zwarte vliegen door de geelblauwe avondlucht, dan weer zoefden ze als een zwarte bal of een zich openende paraplu. Of eigenlijk, ze vlogen in steeds andere samenstelling, als spectaculaire vormen in een museum voor moderne kunst.

De spreeuwenzwerm.

In december snelden de spreeuwen iedere avond in de avondschemering met een gangetje van 40 kilometer per uur door het luchtruim bij de Rijn, om dan plotseling in één keer als dwarrelende blaadjes in de bomen achter de huizen te verdwijnen. Niet geruisloos, nee zeker niet, in de bomen kakelden en kletsten ze door tot de duisternis viel.

Tot mijn verbazing leek ik de enige die stilstond om dit schouwspel, dit wonder van de natuur, te bewonderen. Op mijn vrije dagen daarna, ging ik na zonsondergang kijken. Van alle kanten vlogen groepjes spreeuwen naar hun slaapplaats en vormden een steeds groter wordende groep van duizenden vogels die meer dan een kwartier lang door de lucht suisden in, zo lijkt het, een blije ontmoeting met hun slaapmaatjes. Als duizenden hardlopers die al pratend de dag doornemen.

Na een vogelvakantie zocht ik ze begin januari weer op bij het kruispunt aan de Rijn. Niets. Wachten en speuren. Niets. Zouden ze geschrokken zijn van het vuurwerk en een beter heenkomen hebben gevonden? Toen zag ik boven me een klein groepje voortsnellen richting stad. Met de fiets er achteraan, de avondlucht afspeurend naar de spreeuwen. Ik wist dat er ook een groep sliep in een buitenwijk en fietste die kant op. Niets. Toen zag ik een glimp in de verte. Ja hoor, richting centrum vloog een hele grote zwarte zwerm, vele duizenden spreeuwen. Boven een smalle straat ruisten ze een paar keer over de huizen en doken toen in een hoge heester in een achtertuin. Zou ‘mijn’ groep zich gevoegd hebben bij die van de stad?

Afgelopen zaterdag fietste ik in de schemering naar de het smalle straatje in het centrum: niets. In mijn dorp rondgereden: niets. Hebben ze een betere plek gevonden?

Waarom zwermen?

Er zijn zwermen van miljoenen spreeuwen bekend. Waarom verzamelen spreeuwen zich zo massaal om gezamenlijk dicht bij elkaar te gaan slapen? Hoe kunnen ze zo spectaculair vliegen zonder te botsen en waarom doen ze dat?
Eigenlijk weten we dat niet. De natuur is nog grotendeels een mysterie, al weten we steeds meer.
In de winter zit een deel van ‘onze’ spreeuwen in België en Franrijk en vele honderdduizenden spreeuwen uit noord en oost Europa zijn hier neergestreken. Veronderstellingen dat het samen slapen warmer is, of dat in zwermen vliegen veiliger is tegen roofvogels, zijn door wetenschappers verworpen. Het is nog steeds speculeren, maar de idee is nu dat de vogels babbelen over waar de beste voedselplekken te vinden zijn.
Of zijn ze toch net mensen, en zijn ze net als wij sociale wezens, die ’s avonds lekker kletsen over het weer, de liefde, het eten, elkaar en roddels?

 

 

Els Baars