Hoe de snelle meerkoet een stuntelige vlieger werd (058)

Also available in: nlNederlands

Lang geleden was de Meerkoet wit en vloog net zo snel als de duif. Maar op een gegeven moment is hij veranderd in een zwarte watervogel en stuntelige vlieger. Dat kwam bepaald niet omdat hij zo’n grappig beestje was. Lees dit oude sprookje maar:

Vroeger was de meerkoet een witte vogel met slanke, roze poten die uitstekend kon vliegen. Hij hoefde wat snelheid betreft niet onder te doen voor de duif, dat bewees hij keer op keer in de wedstrijdjes die hij en de duif geregeld hielden. Maar de meerkoet had er wel behoorlijk de smoor in dat telkens wanneer ze van een onbekende bestemming terug naar huis moesten vliegen, de duif zonder problemen de weg wist te vinden. Zelf verdwaalde hij steeds. Telkens als hij eindelijk thuis aankwam zat de duif met een meewarige glimlach al op hem te wachten – alsof hij er al uren zat. Dat werd een obsessie voor de streberige meerkoet, die overal de beste in wilde zijn. Heel jaloers begon hij de duif op alle mogelijke manieren dwars te zitten. Bij het minste of geringste schold hij de duif uit en zocht hij ruzie. Daarbij ging hij hem nu en dan zelfs te lijf; soms zo fel dat de veren in het rond vlogen.

Op een dag was God getuige van een ernstige vechtpartij tussen beide vogels. De agressieve meerkoet verwondde de duif zo ernstig, dat het bloed langs zijn poten sijpelde, met als gevolg dat de duif sindsdien rode poten heeft. God was – uiteraard – op de hoogte van het getreiter van de meerkoet en hij wist dat de duif en de meerkoet elkaar soms in de veren vlogen, maar wat hij nu zag ging alle perken te buiten. Hoog tijd om drastisch in te grijpen, dacht Hij, en Hij besloot dat de meerkoet nooit meer in de nabijheid van de duif zou mogen vertoeven. Met één enkele armbeweging werd het lot van de boosdoener beslecht: de meerkoet, die op dat moment als een overwinnaar rondvloog, viel plotseling naar beneden, in het water. Tot zijn stomme verbazing kon hij zwemmen en voelde hij dat zijn ranke poten uitgroeiden tot lompe poten met brede, groene tenen. Zijn vliegvermogen was zo goed als verdwenen: alleen als hij eerst een poosje over het water rende, kon hij moeizaam opstijgen. Bovendien bleek hij slechts kort te kunnen vliegen en kwam hij niet hoger dan één tot twee meter. Zijn witte kleur verdween en hij werd helemaal zwart, met als herinnering slechts een witte bles op het voorhoofd, boven zijn bleke snavel.

Je zou denken dat de meerkoet door de straf zijn agressieve gedrag heeft veranderd. Niets is minder waar: hij heeft zijn les nog steeds niet geleerd. Uit wrok is hij zelfs agressiever geworden en duldt hij niemand in zijn buurt. Tot op de dag van vandaag hoort en ziet u hem ruzie maken, niet alleen met argeloze voorbijzwemmende eenden, maar zelfs met zijn soortgenoten. 

En de duif? Ziet u hem wel eens in de buurt van de meerkoet? De bescheiden duif houdt tot op heden afstand van zijn grote rivaal van weleer.

Meerkoeten zijn ongeveer even groot als een duif. In Nederland en België komen ze in groten getale voor op plekken waar water is. Het zijn standvogels die hier het hele jaar leven en in de winter aangevuld worden met koeten uit noordelijke landen die hier overwinteren of doortrekken. Na het broedseizoen worden het groepsvogels, in de winter in vaak zeer grote groepen. In het voorjaar leven ze, meestal monogaam, als koppel in een territorium dat fanatiek en agressief verdedigd wordt tegen soortgenoten en andere vogels. De schattige kuikentjes met de rode kopjes overleven de lente vaak niet omdat ze gegeten worden door meeuwen, reigers, snoeken, ratten en andere rovers. Om voldoende nageslacht groot te brengen zijn 2 tot 3 nesten per lente en zomer nodig.

Van oorsprong zijn het moerasvogels, wat goed te zien is aan de brede tenen, waarmee ze in het riet en op drijvende planten kunnen lopen. Meerkoeten, ook wel waterkippen genoemd, hebben zich aangepast aan de mensen, in tegenstelling tot hun soortgenoten uit de rallenfamilie, zoals de Waterral die heel schuw is en de Waterhoen, die we wel vaak kunnen zien, maar die zich verre houdt van mensen. Waterhoen en Meerkoet worden nog wel eens verward, maar er is een makkelijk ezelsbruggetje om ze uit elkaar te houden: w-w kan niet, ofwel wit én waterhoen kan niet. Dus de vogel met de witte snavel en bles is de meerkoet en die met de rode snavel en bles de waterhoen.

Meerkoeten zwemmen of lopen liever, hoewel ze goed kunnen vliegen. Het opstijgen ziet er stuntelig uit: ze moeten eerst een poosje op het water rennen voordat ze hoogte kunnen maken. Waterplanten hebben bij verre de voorkeur, maar gras, zaden, bessen, insecten en kleine visjes worden ook gegeten. Het zijn geen goede duikers doordat er in hun verenkleed veel lucht zit. Hierdoor kunnen ze slechts kortstondig onder blijven en ploppen dan weer naar boven. Gemiddeld leven ze 10 jaar. In Nederland is de jacht op Meerkoeten in 1999 verboden en worden er af en toe vergunningen verleend bij schade aan de gewassen.

 

© Els Baars, Natuurverhalen.nl