Hoe vogels gingen zingen (106)

Also available in: nlNederlands

Heb je weleens stilgestaan bij het wonder van de vogelzang? Genoten van het ochtendconcert in het voorjaar en van de wonderbaarlijke klanken van de solisten en je afgevraagd waarom de vogels zingen en waarom ze allemaal anders zingen? Luister naar dit nieuwe verhaal over vervlogen tijden.

Lang, lang geleden maakten alle vogels hetzelfde geluid. Gelukkig hebben alle soorten een specifieke geur waaraan men elkaar meestal kan herkennen en het uniforme stemgeluid was goed genoeg om met elkaar te kunnen communiceren. Maar op een dag bleek dat emotie moeilijk te uiten is met een eentonig stemgeluid. Verliefdheid had daar alles mee te maken.
De lijster en de merel zaten in een esdoorn. Ze keken naar elkaar, roken elkaar en praatten wat. De gespikkelde lijster vertelde over zijn belevenissen van de dag. De geheel zwarte merel begon aan zijn gebruikelijke klaagzang: als het later dat jaar maar geen al te strenge winter werd, anders zou hij aan een vermoeiende trek naar warmere oorden moeten beginnen.
Terwijl de twee zo aan het keuvelen waren landde de nachtegaal. Hij keek het tweetal met zijn opvallend grote en zwarte ogen aan, luisterde even naar hun gesprek en begon met de merel te discussiëren over de voor- en nadelen van de trek naar het zuiden. De lijster was hem dankbaar dat hij hem van het gezeur van de merel verloste.
Ondertussen voegde het winterkoninkje zich bij hen. Hij knipperde even met de ogen naar de anderen en begon opgewonden van de ene op de andere tak te hippen. Tot ongenoegen van de merel die hem chagrijnig toebeet: “Doe toch niet zo opgewonden. En laat dat stommetje staartje toch eens zakken. Je bent van achteren niet om aan te zien.”
“Jij zit natuurlijk weer te klagen over iets wat misschien helemaal niet gaat gebeuren ,” reageerde het kleine, zandbruine vogeltje. “Maar ja, wat wil je: geen vogel die er zo deprimerend uitziet als jij.”
De merel wilde daarop reageren maar het winterkoninkje zei: “Wat je ook zegt, het deert me niet. Ik ben verliefd.”
“Dat wordt nesten bouwen,” merkte de merel zakelijk op.
“Leuk” zei de nachtegaal.
“Vertel,” zei de lijster die afwezig wat voor zich uit had zitten staren.
“Ja, verliefd…” herhaalde het winterkoninkje terwijl hij vrolijk hippend tussen de bladeren van de esdoorn verdween. Maar die twee woordjes klonken anders dan anders. Niet zo eentonig. Hoger. Gevoeliger.
De vogels schrokken ervan, ook het winterkoninkje zelf. Ze zetten zonder het te willen hun veren uit en voelden zich benauwd worden. De lijster vloog in paniek naar de top van de boom, ver weg van de rest. De merel dook in de nabijgelegen vogelstruik en de nachtegaal verstopte zich in de duindoorn.
“Was jij dat, winterkoning?” vroeg de lijster voor alle zekerheid vanaf zijn hoge positie.
“Ja. Ik klonk best wel vreemd. Maar toch ook wel leuk, vind je niet.”
Dat kon de lijster niet ontkennen. En de andere vogels ook niet. Toen ze van de schrik bekomen waren moesten ze toegeven dat het geluid van de winterkoning leuk en eigenlijk ook wel mooi helder klonk, met vrolijke, vibrerende trillers. Dat was nog eens wat anders dan hun eigen unisono stemgeluid. Ze werden afgunstig; wilden ook mooi klinken. De nachtegaal zoog gretig de lucht naar binnen en toen hij voorzichtig zijn bek weer opendeed ontsnapte een hoog, aanhoudend rollend geluid uit zijn snavel en hij dacht: ik lijk wel gek, maar wat maakt het uit, ik vind het best wel mooi klinken. Ook de lijster zoog zich vol lucht en toen hij zijn bek opende verbaasde hij zich over wat hij hoorde: er stroomde een waterval van noten uit zijn bek. De merel vond het behoorlijk driftig klinken, maar de lijster was zo ingenomen met zijn luide en gevarieerde klanken dat hij er eigenlijk niet meer mee op wilde houden.
Toen kon de merel uiteraard niet achterblijven. Hij hief zijn kop, opende zijn bek en liet de klanken uit zijn bek murmelen. Het klonk subliem, vol, aangenaam, een beetje melancholisch en weemoedig. Het winterkoninkje vond het wel een beetje passen bij zo’n sombere verschijning.
“Ja, ik ben heel erg verliefd,” zei het winterkoninkje die het gesprek weer wilde opnemen. Maar niemand was nog in zijn verhaal geïnteresseerd. Van heide en ver kwamen vogels op de wonderlijke geluiden af. Ze begonnen allemaal het viertal na te doen en hadden al snel het grootste plezier in al die verschillende geluiden en ze experimenteerden met alle klanken.

Zo leerden de vogels zingen, ieder zoals hij gebekt is.

Geniet je ook zo van vogelzang? Zie je in gedachten een vogeltje dat genietend in het zonnetje voor zijn plezier een solo geeft? De werkelijkheid is ontnuchterend. Het hoofddoel van de zang is concurrenten uit zijn leefgebied/territorium wegjagen en vrouwtjes verleiden. Eigenlijk roept een zingende vogel voortdurend: ”Maak dat je wegkomt, dit gebied is van mij. Wegwezen of ik sla je eruit!” en als hij een vrouwtje zoekt: “Vrouwen, kijk eens hoe sterk en slim ik ben, kom bij mij wonen.” Een mannetje dat via zijn zang laat zien dat hij zijn territorium goed verdedigen kan, is bij vrouwtjes favoriet, omdat hij een goede vader zal zijn: een goed territorium betekent voldoende voedsel voor de jongen.
Over het algemeen zingen vooral de mannen, soms ook de vrouwen, zoals bij roodborsten, die in de winter ieder een eigen territorium verdedigen. Bij spechten roffelen man en vrouw op dode takken. Men vermoedt dat vroeger meer vrouwen zongen, waarom ze dat nu niet meer doen is onduidelijk.
Bijna alle vogels zingen alleen in het voorjaar, enkelen zingen ook in de herfst en winter, zoals de winterkoning en de roodborst ter verdediging van het territorium.
Vogels passen hun zang aan aan de omstandigheden. Meeuwen krijsen hard omdat ze boven de bulderende golven uit moeten communiceren, stadsvogels zingen hoger om boven het verkeerslawaai uit te komen, ijsvogels en gele kwikstaarten hebben een schelle roep die boven stromend water te horen moet zijn. Vanuit een hoog punt klinkt het gezang verder, zoals de zanglijster en de heggenmus verkiezen. Sommige vogels willen nog verder gehoord worden en zingen al vliegend, zoals de veldleeuwerik, de grasmus en de boompieper. Andere vogels hebben een uitgebreid repertoire zoals de nachtegaal, anderen produceren maar een of enkele monotone tonen zoals de snor en de sprinkhaanzanger. De ene vogel zingt hoog, zoals de roodborst, de ander met een diepe bas zoals de roerdomp. Weer andere vogels zingen vooral hun naam, zoals de koekoek, grutto en tjiftjaf. Kortom, ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is.

 

© Els Baars, natuurverhalen.n