de KOPERWIEK en de Grote Trek naar het koude Noorden

Also available in: nlNederlands enEngels deDuits

Veel vogels overwinteren in West Europa en trekken massaal in de lente duizenden kilometers naar het koude noorden om hun kroost groot te brengen. De koperwiek is een van hen. Waarom ze de ontberingen van de Grote Trek naar het Noorden trotseren, verhaalt het volgende nieuwe sprookje:

Op warme lentedagen een nest groot brengen was al een crime voor Koperwiek, maar hete zomerdagen verafschuwde ze het allermeest.  Als ze het warm had liep ze rood aan en haar koperkleurige zweet spette vlekjes op de eieren. Door al dat transpiratievocht kleurden haar oksels blijvend koperrood.
Koperwiek droomde van koele streken, ver weg van hitte. Soms besprak ze het met andere vogels en die riepen dan: “Zet het uit je hoofd, leer er mee leven. Het barre Noorden is onleefbaar en vol gevaar. Daar is een reuzenmonster die alle levende wezens opeet. Geen vogel is er ooit van terug gekomen.”

Na jaren tobben nam Koperwiek op de jaarlijkse vogelvergadering het woord: “Ik heb zo’n last van de warmte en verlang naar koele streken. Ben ik de enige of zijn meer vogels zoals ik?”
Tot haar verrassing waren er meer: niet alleen Kramsvogel, maar ook Smient, Kuifeend, Strandloper, Goudplevier, Gans en de zus van Buizerd, die ze Ruigpoot noemden omdat zij veren op haar poten had. Wat was het bijzonder om lotgenoten te ontmoeten.
Koperwiek vertelde verder met haar zo kenmerkende hoge schelle stem: “Ik verlang zo naar kou, en uit het Noorden komt vaak koude wind. Wat zou het fijn zijn als we in het Noorden kunnen wonen. Maar dat kan niet,” zuchtte ze, “iedereen waarschuwt altijd voor de gevaren in die barre streken, waar geen leven mogelijk is. Het is daar leeg en koud. Ze zeggen dat er een reuzenmonster leeft dat ieder levend wezen op eet.”

“Zou dat waar zijn, of zijn het angstverhalen van bangeriken?” piepte de klagende stem van Goudplevier. “Is er iemand die niet in sprookjes gelooft en ècht op onderzoek durft uit te gaan? Ik ben maar een zwakke vogel, is er een sterkere die durft?”
Iedereen zweeg, tot Strandloper zei: “Ik vind het een goed voorstel van je, Goudplevier. Ik ben helaas te klein en niet zo slim, maar Koperwiek, kan jij niet gaan?  Je bent een intelligente en stoere vogel en je kan goed vliegen.”

Zo vertrok op een warme nazomerdag Koperwiek met haar man voor de gevaarlijke expeditie naar het Noorden. Ze vlogen vooral gedurende de koele nachten en overdag zochten ze eten en rustten uit. Op een nacht vlogen ze nog verder naar het Noorden, toen plotseling de hele hemel leek te bewegen en verlicht werd door spookachtige groene, gele en paarse vormen. In paniek keerden ze om en vluchtten in doodsangst.

“Het spookt in het Noorden.” zei Koperwiek tegen de andere vogels toen ze veilig terug waren, “De hemel beweegt met beangstigende kleuren. Dat betekent vast dat het grote monster wakker werd en spuwde. Gelukkig zijn we ontsnapt door heel snel terug te vliegen.”
De toehoorders trilden van angst en zwegen van ontzetting en teleurstelling.
Na een poosje vroeg de anders zo zwijgzame Ruigpoot: “Heb je het monster gezien?” Verbijsterd keken alle vogels haar aan, hoe kon zij dat vragen?
Rustig vervolgde zij: “Soms als ik me verveel ga ik op reis en vlieg lange tochten. Ik kan goed en hoog vliegen op de thermiek. Die groene bewegende luchten heb ik wel eens in de verte gezien, dat noemen ze het Noorderlicht. Maar nog nooit heb ik een reuzenmonster ontwaard. Ik zal op onderzoek gaan en kijken of we in het Noorden kunnen leven. Maar nu komt Koning Winter en dan ben ik graag hier. Ik vertrek volgend voorjaar.”

Toen Ruigpoot na vier jaar nog niet terug was. voelde Koperwiek zich schuldig over haar onzalige plan. Iedereen rouwde om de dappere Ruigpoot die vast en zeker door het monster was verslonden.

Op een warme herfstdag zocht Koperwiek koelte op de open vlakte bij de zee, een plek met veel bessenstruiken. Tot haar verbazing zag ze daar Ruigpoot landen met haar gezin. Ze verstopte zich onder de duindoorns en verbijsterd hoorde ze Ruigpoot tegen haar man zeggen: “Wat goed dat we niets tegen die domme vogels hebben verteld over de koele zomers in het hoge Noorden. Nu hebben wij het paradijs voor ons alleen en volop eten voor onze kinderen.”
Razend kroop Koperwiek onder de struik vandaag en riep uit: “We dachten dat je dood was, Ruigpoot! Maar ik zie je nu met je gezin en hoor je vertellen over het paradijselijke Noorden. Ik ben diep, diep teleurgesteld in je! Ik raad je aan je niet meer te vertonen aan de andere vogels!” Zinderend van woede vloog ze terug om het de anderen te vertellen.

Sindsdien trekken ieder voorjaar Kramsvogel, Smient, Kuifeend, Strandloper, Goudplevier en Gans met al hun families de duizenden kilometers naar het Noorden. Daar is ruimte en eten in overvloed en het is er niet zo warm. Ook is het er bijna de hele nacht licht, waardoor ze hun vijanden kunnen zien en de nesten beter kunnen beschermen. Helaas zijn de winters er bar en boos  en daarom vliegen ze ieder najaar weer terug.

Het gaat goed met ze. Talloze jongen zijn er groot gebracht.
Ieder voorjaar kan je de grote trek zien van miljoenen koperwieken, smienten, kuifeenden, strandlopers, goudplevieren, ganzen en andere vogels vanuit ons land naar het hoge noorden en in het najaar weer terug. Luister in die tijd ’s nachts goed, want dan hoor je de koperwieken aan elkaar het oeroude verhaal vertellen over Koperwiek en Ruigpoot en het begin van de Grote Trek naar het Noorden.

Ruigpootbuizerds voelen zich tot de dag van vandaag schuldig over het verraad van hun voorouders. We zien ze niet zo vaak, want ze leven teruggetrokken in weidse open vlakten, zowel hier in het Westen als in het hoge Noorden.

Hoe hoog vliegen vogels tijdens de trek? 
De grutto kan wel tot 6 km hoogte vliegen, ganzen zelfs 9 km, ooievaars 5 km, kieviten soms tot 4 km, zwanen 2700 m, vinken 1000 m en piepers 500m. 

De koperwiek is een kleine lijster die snel kan vliegen. Koper-wiek kan beter koper-oksel genoemd worden, omdat niet de vleugel maar de oksel en een deel van de flank koperkleurig zijn. Het zijn echte groepsvogels die in de winter daar te vinden zijn waar bessen zijn, zoals bijvoorbeeld in de duinen, maar ook in bossen, parken en tuinen met besdragende bomen en struiken. Zoals alle lijsters zijn ze dol op rottende appels. Ze kunnen ook net als merels de humuslaag omdraaien op zoek naar wormen en insecten. Tijdens de trek vliegen ze in grote groepen, veelal ’s nachts. Dan vliegen ze op grotere afstand van elkaar en communiceren onderling met hoog geroep om niet tegen elkaar te botsen en om gezamenlijk de juiste richting te gaan. ‘s Morgens vroeg kunnen ze ook trekken, maar dan vliegen ze dichter bij elkaar.

De ruigpootbuizerd is nauw verwant aan de buizerd. Kenmerkend is dat de ruigpootbuizerd bevederde poten heeft tot de tenen en die van de buizerd onbevederd zijn. Het zijn echte solisten die alleen tijdens de broedtijd in gezinsverband optrekken. In september en oktober trekken ze massaal naar de gematigde streken van Europa om in april weer te vertrekken. Het eten bestaat grotendeels uit kleine knaagdieren als muizen en lemmingen, maar ook konijnen en vogels staan op het menu. Het zijn roofvogels van de poolstreken, van Amerika tot Azië en Europa. Ze leven voornamelijk op de toendra’s en in de taiga’s. Het zijn uitstekende vliegers die gebruik maken van de thermiek. In Nederland komen ze ’s winters v.n.l voor in de Oostvaarders Plassen en de Wadden.