Een boom die van paarden geneest, de paardenkastanje (093)

Also available in: nlNederlands

In mei schitteren de grote Paardenkastanjes vol met grote witte of rode bloeiende “kaarsen”. Het is een populaire boom in West-Europa, maar hij groeit liever in warmer streken, zoals de Balkan, waar hij oorspronkelijk vandaan komt. Zijn kastanjes zijn voor mensen giftig, niet voor dieren. Wat is de relatie tussen deze boom en paarden? Dat lees je in dit nieuwe sprookje:

Eeuwen geleden zwierf in het binnenland van Anatolië eens een kudde verzwakte, wilde paarden rond. Al van verre was te zien dat de dieren er slecht aan toe waren: ze waren lusteloos en tot op het bod vermagerd. Geen man die deze zieke paarden zou bejagen voor het vlees.
Op een dag zag een vrouw die met haar gezin ver buiten een dorp woonde dat de paarden stonden ze drinken bij een waterpoel. Ze was een vrouw die zowel in de zielen van mensen als die van dieren kon kijken. Dat maakte dat de meeste dorpelingen bang voor haar waren en sommigen meenden dat ze een heks was. De vrouw liep op de zieke dieren af en zonder haar mond te openen zei ze: “Zwerf niet verder. Blijf hier. Wij zullen jullie te eten geven en jullie genezen. In ruil vraag ik dat als jullie weer gezond en sterk zijn, jullie onze lasten dragen.”
De paarden stemden toe en na enige tijd begon hun vacht zijn gezonde kleur terug te krijgen en vlees op hun botten te komen. Met het verstrijken der jaren groeide de kudde uit tot een groep sterke paarden die goederen en mensen naar verre bestemmingen bracht. Daarmee verwierven de vrouw en haar gezin zowel aanzien als rijkdom.

Maar toen stierf de vrouw en de paarden werden opnieuw ziek: ze zweetten, hoestten en waren benauwd. Hoe goed er ook voor hen werd gezorgd, het ene na het andere paard verzwakte en de weduwnaar was bezorgd dat zijn bron van inkomsten zou opdrogen. Hij riep zijn vier volwassen zonen te hulp: konden zij wellicht een oplossing bedenken? Terwijl zijn dochtertje, een nakomertje van nog maar tien lentes, buiten aan het spelen was, staken de mannen de koppen bij elkaar. Ze spraken af dat de oudste zoon de hulp van de goden zou inroepen en zodra het lente werd naar de grote tempel zou rijden om daar een zak goudstukken te offeren en tien dagen lang te bidden. En zo gebeurde. Uitgeput kwam de zoon terug van zijn missie. Nauwlettend en hoopvol observeerde men de paarden. Maar er veranderde niets.

Toen de hete zomer begon, reed de tweede zoon naar de tovenaar die op de flanken van een hoge berg woonde. Hij smeekte hem hen te helpen en gaf hem een zak goudstukken. Nauwlettend en hoopvol observeerde men de paarden. Maar er veranderde niets.

Ten einde raad besloot men dat de twee jongste zonen naar het duistere woud aan de andere kant van het hooggebergte zouden rijden om de driekoppige draak te doden die daar huisde. Zijn bloed, zo werd algemeen aangenomen, kon alle ziekten genezen. Van de laatste zak goud kochten ze de beste wapens en toen de herfst aanbrak zadelden ze de twee minst zwakke paarden en begonnen aan de lange en gevaarlijke tocht. Ze doodden het monster en uitgeput maar voldaan konden ze hun vader het drakenbloed overhandigen. Nauwlettend en hoopvol observeerde men de paarden. Maar er veranderde niets.

Toen het winter werd kreeg het meisje een droom waarin haar moeder verscheen. Ze stond te midden van een kudde sterke en gezonde paarden en keek haar dochter met een indringende blik aan. “Ga naar het dal,” zei ze zonder haar mond open te doen, “ga naar het dal.” Met een stuk brood en een zak water sloop het meisje in alle vroegte de tent uit en doolde de hele dag door het dal, niet wetend wat haar te doen of te wachten stond. Toen de avond viel ging ze uitgeput tegen een boom zitten, dekte zich toe met dorre bladeren en viel in slaap. Maar vroeg in de nacht schoot ze wakker van een ijselijke kreet en ze zag nog net dat een heks uit de boom vloog. Angstig verstopte ze zich in een holle boom. Toen ze de volgende ochtend ontwaakte, keek ze recht in de ogen van een grote oehoe. Die straalde zoveel vertrouwen uit, dat ze hem het verhaal vertelde over de rampspoed die het gezin getroffen had.

“Ik heb je moeder nog gekend, lieve kind,” sprak de uil. “De oplossing van je probleem ligt hier. Let maar op.” Waarna hij de ogen sloot en er verder het zwijgen toe deed. Op dat moment viel er uit de boom een blad op haar voeten. Gedachteloos pakte ze het op en draaide het een paar keer heen en weer tussen haar vingers. Ineens viel het haar op dat het einde van de bladsteel de vorm had van een paardenvoet. Ze klom in de oude boom en zag dat op de plaatsen waar de bladeren waren afgevallen, afdrukken van paardenhoeven stonden. Dit was een paardenboom! Ze ging op een dikke tak zitten en zei: “Boom, luister, je bent een paardenboom, ik zie overal paardenhoeven op je takken. Jij moet me helpen onze paarden beter te maken!” Meteen daarop viel iets hards op haar hoofd, en nog eens en nog eens: het regende plotseling stekelige bolsters! En niet alleen uit de boom waarin ze zat maar uit alle bomen om haar heen. Dat moet de oplossing zijn, dacht ze, maar wat moeten de paarden met die stekelige noten? Maar toen zag ze dat een aantal van die stekelige bolsters waren opengebarsten. Ze danste tussen de bomen en riep: “Dank je wel, dank je wel?”

De vader en zijn zonen die het meisje aan het zoeken waren hoorden haar vrolijke stem uit het dal opklinken en snelden in haar richting. “Deze boom heeft de oplossing gegeven! Kijk!” riep ze uitbundig en ze liet de glanzende bruine zaden zien. “Van deze grote zaden zullen de paarden beter worden.”

En zo geschiedde.

Volwassen Paardenkastanjes zijn grote, hoge bomen die goed tegen luchtvervuiling kunnen, makkelijk zijn voor wat betreft bodem en vochtigheid en uitbundig bloeien. Geen wonder dus dat ze vaak worden geplant om straten, lanen en parken op te sieren. Omdat West-Europa niet het meest ideale klimaat heeft, vermenigvuldigt hij zich hier nauwelijks; we zien dan ook voornamelijk aangeplante bomen.
De Latijnse naam
Aesculus Hippocastanum, komt waarschijnlijk uit het oud-Turks en betekent iets als “paarden die kastanjes eten”. Vroeger gaven boeren de kastanjes als geneesmiddel aan paarden met keel- en ademhalingsproblemen en ook aan drachtige merries. Behalve paarden eten ook herten, schapen, geiten en varkens kastanjes. Mensen vinden deze glimmende vruchten niet lekker; ze zijn bitter en licht giftig. (De vrucht van de tamme kastanje – geen familie – wordt wel veel gegeten.)
Kijk eens aandachtig naar het hoefijzervormige litteken dat een afgevallen blad in de herfst op de tak achterlaat. Lijkt dat niet op een paardenhoef?
De bloem wordt toorts genoemd. Als je goed kijkt zie je dat een toorts uit vele kleine bloempjes bestaan. Kijk je nog aandachtiger dan zie je boven in de toorts jonge bloemen met een geel vlekje en onderin bloempjes met een rood vlekje: het honingmerkje. Met het gele honingmerkje trekt de bloem insecten aan. Als een bij of hommel de honing heeft gepakt en de bloem bevrucht is, verandert het honingmerkje van kleur en wordt rood.

Uilen slapen overdag graag in een Paardenkastanje. Omdat met vroeger dacht dat heksen zich overdag vermomden als uilen, plantten boeren vaak een paardenkastanje aan de zuidkant van de boerderij. Heksen konden zo overdag in de paardenkastanje uitrusten en hoefden de mensen niet lastig te vallen.

In de Hortus Botanicus van Leiden staat een Paardenkastanje die in 1608 werd geplant – de oudste van Nederland. Doorgaans wordt een paardenkastanje zo’n 250 jaar oud en hij kan wel 30 meter hoog worden (een eengezinswoning is nog geen 10 meter).
Een kastanje op je hoofd of auto is niet prettig. Daarom zijn er kastanjebomen gekweekt die geen of weinig kastanjes produceren. Deze worden steeds vaker aangeplant.

 

© Els Baars, Natuurverhalen.nl