de Paddenstoel: opgeruimd staat netjes (079)

Also available in: nlNederlands

In de 17e eeuw, de Gouden Eeuw, komt De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden door nieuwe technologieën in ander vaarwater, met veel rijkdom voor de elite. De Nederlandse vloot domineert de wereldhandel. Vele bossen worden gekapt voor het hout waarvan de schepen worden gebouwd. Deze ontbossing is volgens dit nieuwe sprookje er mede de oorzaak van dat de paddenstoelen zijn ontstaan om de “rotsooi” op te ruimen. Luister:

De geur van gezaagd en geschaafd hout is de lekkerste die de kleine Froutje kent. Ze speelt niet met poppen maar met de houtkrullen op de werf en tikkertje met verstop in de in aanbouw zijnde schepen. Als jong meisje deelt ze haar vaders liefde voor mooie schepen en waar scheepsbouwer Stoel zich ook vertoont, zijn enige dochter is aan zijn zijde, zodat iedereen in de wereld van de scheepsbouw Froutje met haar kleurrijke hoedjes kent.

Stoel is een van de belangrijkste scheepsbouwers van die tijd. Hij bezit enkele van de grootste werven van de Lage Landen, meerdere houtzaagmolens en verschaft werk aan tal van handwerkslieden,  zoals ankersmeden, timmerlui, teerstovers, touwslagers en zeilmakers. Stoel is ook een vernieuwer. Zijn schepen zijn niet alleen groter maar varen ook sneller door het samenspel van de verschillende grote zeilen.
En Stoel is een perfectionist:  “Kleine meid, ik ga op onze werven nog veel betere schepen bouwen. De Republiek heeft dat nodig. Wij zijn de machtigste zee- en handelsnatie ter wereld! Willen we Engeland de baas blijven, dan hebben we nog grotere en vooral nog snellere schepen nodig. En jij gaat dat allemaal meemaken!”
Regelmatig gaat hij op reis naar o.m. Duitsland, de Oostzeelanden en Noorwegen, op zoek naar het beste hout en al op jonge leeftijd gaat Froutje met hem mee om het verschil tussen de verschillende houtsoorten te leren kennen. Hoogtepunt vindt ze de tochten die ze samen met de houthakkers maken  door de dichte, duistere bossen, op zoek naar kolossale bomen voor de grote, sterke masten. Overal waar ze komen worden de grootste en sterkste bomen gekapt voor de handelsvloot van de Republiek.
Na de dood van haar vader zet ze met haar man voortvarend de scheepsbouw voort. Ze ziet erop toe dat, in een tijd waar wanorde en stank normaal lijken, haar werven zich onderscheiden door properheid  en ordelijkheid. Maar Froutje verlangt terug naar de tochten die ze als kind naar de Scandinavische wouden maakte. Na vele jaren reist ze dan ook weer naar de uitgestrekte wouden van weleer om de beste stammen uit te zoeken. Oude tijden herleven en Froutje geniet als vroeger. Tot ze op de terugweg is. Want als de talrijke karren richting kust ratelen om daar hun lading dikke boomstammen op schepen en vlotten te laden, weet ze niet wat ze ziet. De wegen lopen niet meer langs dichte bossen, maar langs open, half kaalgeslagen velden die bezaaid zijn met hopen takken en wortelstronken. ’t Is een waar slachtveld. Onthutst stapt ze uit en tegen haar reisgenoten zegt ze: “Wij scheepsbouwers hebben zoveel hout nodig, dat we de bossen vernield hebben. Ook ík ben hier verantwoordelijk voor. Ik schaam me diep en ik wil mijn verdere leven wijden aan het herstel van de bossen.” Waarna ze de leeggekapte bossen inloopt om nooit meer terug te keren.
Jaar in jaar uit zien de dorpelingen een vrouwtje met kleurrijke hoedjes, takken sjouwen om jonge boompjes ruimte te geven uit te groeien. Eerst  lachen ze haar haar uit, maar ten slotte vergeten ze haar. Terwijl het jonge groen uitgroeit tot stevige bomen, denkt niemand meer aan fleurige Froutje als ze vele jaren later door de hernieuwde bossen lopen, waarin de korhoenders, herten en vossen zijn teruggekeerd. Wel verbazen ze zich over nieuwe planten. Zijn het eigenlijk wel planten? Nieuw zijn de talrijke kleine vreemd gevormde bolletjes met een verscheidenheid aan fleurige hoedjes. Als ze de rare plantjes onderzoeken, ontdekken ze dat het bosopruimers zijn. Onder de verdorde bladeren lopen dunne witte draden over rottend hout, eindigend in een vrucht boven de grond. Ze ontdekken dat sommige van die vreemde planten op bomen groeien die ernstig ziek zijn, andere vooral op rottend hout en weer andere op herfstbladeren.

Een oude man herinnert zich dan het gekke vrouwtje dat jaren geleden de gekapte bossen ging opruimen. Sindsdien weten de dorpelingen het zeker: die nieuwe gewassen moeten het betoverde bosvrouwtje zijn met haar fleurige hoedjes, de bosopruimster. De mensen noemden het nieuwe gewas “paddenstoel”, naar Froutje Stoel en naar de kleine padjes die zo graag onder de hoedjes in de vochtige bosgrond  zitten.
En, zo wordt er gefluisterd ,’s nachts dwalen er heksen rond…

In de geschiedenis zijn diverse beschavingen ten onder gegaan doordat ze de natuurlijke hulpbronnen hebben uitgeput, zoals de Paaseilanden. De ontbossing van de Lage Landen komt voor een deel op het conto van de scheepsbouw in de Gouden Eeuw, toen de Nederlanden een toonaangevende zeevaart- en handelsnatie waren. Ook Ierland en delen van Engeland zijn ontbost voor de omvangrijke Engelse vloot die de hegemonie van de  Republiek overnam.
Paddenstoelen zijn plant noch dier, ze vormen een apart groep. Ze maken geen bladgroen aan. De meeste leven van levende of dode organismen, soms ten koste van de boom, b.v. de berkendoder, soms in symbiose met de berk,  b.v. de vliegenzwam. Vaak leven ze van dode materialen die ze “verteren” om aan voedsel te komen. Een paddenstoel is de vrucht met sporen (zaden) van een draderige ondergrondse massa. (Zie ook de interessante site http://www.ivnvechtplassen.org/a-padde.html)

 

© Els Baars, Natuurverhalen.nl