hoe het lelijkste vogeltje veranderde in een van de mooiste, de putter (005)

Also available in: nlNederlands enEngels frFrans deDuits

Een putter is een prachtige kleurrijke vogel met een opvallend rode kop. Wist u dat hij lang geleden werd uitgelachen om zijn lelijkheid? Toen de putter als één van de laatste dieren op onze aardbol verscheen, waren de kleuren op en leek hij voortaan naakt en kleurloos door het leven te moeten. Hoe deze vogel toch nog één van de mooiste werd verhaalt dit oude Duitse sprookje:

Miljoenen jaren geleden kwamen de dieren één voor één naakt op de wereld. Zodra een dier op de aardbodem verscheen koos het zijn onderdelen uit een overvloed aan staarten, poten, hoeven, tenen, vachten, veren, snuiten, ogen, oren en kleuren. Er waren bescheiden dieren bij die tevreden waren met een simpele bruine vacht, zoals de ree, of een simpel verenpak, zoals de tjiftjaf. Maar ook in die dagen waren er al hebzuchtige dieren. Het hooghartige edelhert pakte uit de stapel een reusachtig gewei, de trotse pauw nam niet alleen een hele grote staart, maar ook veel kleuren en de vos bemachtigde een lange staart. Toen bijna alle dieren op aarde waren, verscheen als één van de laatste de naakte putter met kleurloze veren. Uit de resterende snavels haalde hij een stevig lang exemplaar en er waren nog net een paar gewone roze poten voor hem over. Maar de kleuren waren helemaal op. De putter was diep ongelukkig omdat hij er bloot bij moest lopen. De andere dieren lachten hem uit. Iedere dag smeekte hij de goden om hem te helpen. Op een ochtend werd hij wakker met een nimf glimlachend naast hem. Ze zei: ”Ik heb opdracht gekregen om je te helpen. Ik mag aan alle dieren een stukje van hun kleur vragen om die aan jou, lieve putter, te geven.” Heel lief vroeg  ze de dieren een stukje kleur af te staan en beloofde hen dat het weer zou aangroeien. De eerste vogel, de grote bonte specht, gaf genereus een stukje van zijn rode achterhoofd, die de putter direct op zijn gezicht plakte. De kraai zei dat hij toch wel genoeg zwart had en gaf een paar flinke strepen zwart, die de putter verdeelde over zijn staart en vleugels. En de lepelaar had meer dan voldoende wit. Toen kwam de gele kwikstaart aangevlogen die zonder dat het hem was gevraagd een flink stuk geel van zijn buik gaf, die de putter dankbaar midden op zijn vleugels zette.

Wat was de putter blij. Van de lelijkste vogel werd hij één van de allermooiste. Tot op de dag van vandaag hoor je groepen putters voortdurend blij met elkaar keuvelen. En als je goed luistert, hoor je ze zeggen: “Goh, buurvrouw, wat zie je er mooi uit vandaag,” waarop zij antwoordt: “Buurman, ik word ook zo vrolijk van jouw mooie kleuren, wat zijn we toch gelukkig.”

Putters zijn gezellig keuvelende groepsdieren. Mannetjes en vrouwtjes hebben hetzelfde kleurrijke voorkomen. In groepen leven ze vooral in boomrijke gebieden zoals bosranden, parken en tuinen in bijna heel Europa. Hij wordt ook wel distelvink genoemd omdat ze dol zijn op de zaden in distels, kaardenbollen en elzenpropjes. Het gaat goed met de putter in Nederland. In de afgelopen 15 jaar is hun aantal verdubbeld naar zo’n 40.000 stuks. Deze vink is een ‘jaarvogel’, net zoals het roodborstje en de spreeuw: een deel  zakt, afhankelijk van de winterkou, af naar gematigder gebieden en putters uit Noord Europa komen naar Nederland.

 

© Els Baars, Natuurverhalen.nl