Een hemelse beloning voor een arme, gastvrije man, de GROTE KAARDENBOL (049)

Also available in: nlNederlands enEngels frFrans deDuits

In de winter ziet u de grote kaardenbol regelmatig uitsteken boven het dorre landschap. Engelen schonken een arme man kaardenbollen als dank voor de gastvrije ontvangst. Waarom deze hemelse gezanten dankbaar waren, hoort u in deze Arabische sage:

Lang, heel lang geleden werd er op een avond aangeklopt bij een klein vervallen huisje. Verbaasd over het late tijdstip opende de arme bewoner de deur. Voor hem stonden twee vermoeid uitziende mannen. De kleinste van de twee zei: ‘Waarde heer, heeft u een slaapplaats voor de nacht voor twee vermoeide reizigers?’ Gastvrij noodde de bewoner de onbekenden binnen, deelde zijn schaarse voedsel met hen en ruimde in zijn kleine huis een slaapplek voor ze in. De reizigers bleven een paar dagen, waardoor zijn bescheiden voedselvoorraad uitgeput raakte. Op de derde avond verontschuldigde de arme man zich beschaamd: ‘Ik zou u graag gastvrij onthalen, maar ik ben slechts een arme man. Ik kan u, mijn gasten, geen maaltijd meer aanbieden. Al het eten is op. Ik adviseer u bij mijn buurman aan te kloppen, hij is een rijk man.’ Maar aan de deur van het witte stenen huis van de rijke buurman werden de reizigers afgescheept met enkele munten. De beide mannen vertrokken. Vanachter hun raam keken zowel de rijke als de arme man toe hoe de reizigers hun reis over de stoffige weg vervolgden en… hoe de twee plotseling in twee engelen veranderden en terugkeerden. De engelen gaven de arme man een klein pakje zaad en de rijke man een groter pakje zaad. Meteen strooiden beiden verwachtingsvol de zaden op hun land uit en gespannen wachtten ze af wat deze hemelse zaden zouden voortbrengen. De ongastvrije man zag dat uit zijn zaad prachtige bloemen tevoorschijn kwamen, maar ze bloeiden slechts één dag. ‘Die bloemen zijn niet alleen onverkoopbaar,’ zo sprak hij boos, ‘maar het is ook nog hardnekkig onkruid dat mijn andere gewassen overwoekert.’ Binnen een paar jaar was hij een arm man.
Ook de gastvrije arme man was teleurgesteld. ‘Beste engelen, waarom heb ik deze zaden gekregen?’ sprak hij tot de hemel. ‘Ze brengen alleen hoge distels met stekelige kolven voort. Wat moet ik ermee? De bloemen zijn niet eens mooi om te zien, en de kolven hebben vreemde laagjes kleine blauwe bloempjes.’
Op een nacht zag hij in een droom de twee engelen weer en ze gaven hem een boodschap: ‘Laad de distelbollen op een kar en verkoop ze op de markt in de stad aan schapenboeren. Zeg hen dat ze hiermee hun wol beter kunnen kaarden.’ De volgende dag toog hij vol verwachting met een volle kar stekelige bollen naar de grote markt en tot zijn verbazing keerde hij ’s avonds met veel geld huiswaarts. Zo was hij binnen een paar jaar een rijk man.
Sindsdien gebruiken schapenboeren deze bollen om hun wol te kaarden en zijn de mensen de plant kaardenbol gaan noemen.

In het Latijn heet de grote kaardenbol Dípsacus fullónum. Dipsacus betekent drinkbeker: de stengelbladeren zijn aan de voet vergroeid tot een kommetje waarin zich regenwater verzamelt; kleine dieren, zoals insecten, drinken eruit. Onder aan de middennerf van het blad en aan de stengels zitten veel gemene stekels. De talrijke bloempjes staan op een gemeenschappelijke bloembodem, die de vorm heeft van de stekelige bol. De bloei verloopt heel bijzonder: deze begint in het midden, de lichtblauw-paarse bloemetjes bloeien in een ring waarna de bloei zich opdeelt, één deel schuift laag voor laag bloeiend omhoog en het andere deel naar beneden. Veel bijen, vlinders en zweefvliegen halen honing uit de bloemetjes. De verdorde plant blijft maanden staan en siert in de winter het dorre landschap.
 

© Els Baars, Natuurverhalen.nl