Hoe een vergeetachtige plant zijn naam kreeg (043)

Also available in: nlNederlands enEngels deDuits

Overal ziet u de kleine, blauwe bloemetjes van het vergeet-mij-nietje in wegbermen, bosranden, slootkanten en weiden groeien. Heeft u zich wel eens afgevraagd hoe het aan die bijzondere naam is gekomen? Luister naar dit oude verhaal:

Bij de Schepping kregen de planten van God niet alleen een vorm, een geur en een kleur, maar ook een naam. Eén van de planten had kleine blauwe bloemen en een prachtig geel hartje.
Onder de indruk van alle gebeurtenissen van de Schepping keek hij met grote ogen rond hoe alle planten een naam kregen en vergat daardoor op te letten. Uiteindelijke hadden alle planten een naam gekregen, maar hij was zijn eigen naam vergeten.
“Weet je hoe ik heet?” vroeg hij aan alle grote en kleine planten, ”Ik ben mijn naam vergeten”. Maar geen enkele plant kon het hem vertellen. Na lang aarzelen ging het bloemetje tenslotte naar God en zei: “Ik ben een beetje dom, ik ben mijn naam vergeten. Hoe heet ik?” Deze keek hem hoofdschuddend aan en antwoordde: “Dat is helemaal niet erg, maar,” en hij keek de bloem streng aan: “vergeet mij niet!” Beschaamd kroop het plantje weg tussen het hoge gras. En daar staat  hij vandaag de dag nog steeds, een beetje verscholen tussen andere planten. Maar altijd steekt hij zijn helder blauwe kopjes tussen de begroeiing uit. En als iemand vraagt hoe hij heet, antwoordt hij beschroomd: “vergeet-mij-niet”. En dat is een naam die iedereen kan onthouden.

Het vergeet-mij-nietje behoort tot de familie van de ruwbladigen, waar ook het slangekruid, het
longkruid en de smeerwortel onder vallen. Kenmerkend voor deze familie zijn de ruwe haren op bladeren, steel en zaadjes. Om de haren van het vergeet-mij-nietje te zien heeft u een loep nodig. De zaadjes worden verspreid doordat ze zich via de stugge haren (klitjes) vast haken aan dieren die langs lopen en die ze zo meenemen. In Nederland zijn zeven vergeet-mij-niet soorten. De moeras- en de zompvergeet-mij-nietjes staan op vochtige grond en de zaadjes worden vooral verspreid via het water. De andere vijf groeien op open, droge aarde. Vliegen zorgen voor de bestuiving van de bloemen.

 

© Els Baars, Natuurverhalen.nl